vrijdag 24 februari 2012

Tulipomania 1620-1630 - Eerste economische bubbel

natuur-bloemen-tulpen
kunst-hilda kernell-hettema
Tijdens ons bezoek aan de kunstenaar Hilda Kernell-Hettema ontdekten we de tekst Tulipomania op één van haar kunstwerken. Een tulpengekte in de jaren 1620-1637. We konden de verleiding niet weerstaan dit even uit te zoeken.

Tulpenmanie was een overspannen hoogtepunt in de conjunctuur tussen 1634 en 1637. In de tulpenhandel in Holland en Utrecht  die rond 1634 opkwam en waaraan begin februari 1637 een abrupt einde kwam.  Het verschijnsel wordt ook wel tulpomanie, tulpenwoede, tulpengekte, bollengekte of bollenrazernij genoemd. In de Nederlandse GoudenEeuw bereikten de prijzen van de nieuw geïntroduceerde tulpenbollen extreme hoogten. In januari 1637 werden tulpenbollen verkocht voor meer dan tien keer het jaarsalaris van een ervaren vakman, en waren ze ongeveer evenveel waard als een Amsterdams grachtenpand.. Ook werd er gespeculeerd in opties op tulpen, die op dat moment nog in de grond zaten. De Tulpenmanie wordt door economen gezien als de eerste uitgebreid beschreven speculatiegolf  in de wereldgeschiedenis. De term tulpenmanie wordt vaak gebruikt als metafoor voor een grote economische bubbel.

Tulp
Een van de bekendste nationale symbolen van Nederland is de tulp. De tulp werd destijds gekweekt in de OttomaanseRijk die later in de 16e eeuw zijn animo kreeg in Europa. Langzamerhand werd het in onder andere Frankrijk populair maar leidde tot een ware hysterie in de Republiekder Zeven Verenigde Nederlanden. De eerste tulpen werden in 1593 door de Vlaamse diplomaat Ogier Gisleen van Busbeke aan zijn vriend Carolus Clusius, botanicus in Leiden gestuurd. Daar werd een aantal bollen uit de Hortus botanicus Leiden gestolen. Zes oogsten later - een tulp komt in zeven jaar tot wasdom - was het verzamelen van tulpen een rage geworden.
De spectaculairste en meest gevraagde tulpen waren levendig van kleur, en hadden strepen en vlammen op de bloembladen. De verzamelaars wisten niet dat dit het gevolg was van een specifieke virusinfectie bij tulpen, een vorm van het mozaïkvirus. De bijzondere patronen en vormen zijn niet altijd overerfbaar. Vooral de zeldzame exemplaren waren uiterst populair. Er waren honderden tulpenrassen bekend. Het was moeilijk ze uit elkaar te houden en er was nogal eens onenigheid over de vraag tot welk ras een bloem precies hoorde. Daarom verschenen tijdens het hoogtepunt van de tulpenrage tulpenboeken, waarin gekleurde tulpentekeningen stonden.

Prijsstijging
Kort na 1600 begonnen de prijzen van tulpenbollen te stijgen.Franse hofdames betaalden honderden guldens voor een tulpenbloem die zij op een galabal in hun decolleté droegen. In 1623 kostte één enkele tulpenbol van een populaire soort 1000 gulden, terwijl het gemiddelde jaarinkomen op 150 gulden lag. Tijdens de jaren 30 van de 17e eeuw liepen de prijzen zo hoog op dat sommige mensen bereid waren evenveel te betalen voor een zak tulpenbollen als voor een rijtje Amsterdamse grachtenpanden. Een goede handelaar kon 6000 gulden per maand verdienen.

In 1635 werd een koop geregistreerd van veertig tulpenbollen tegen een prijs van 100.000 gulden. Op dat moment kostte een ton boter rond de 100 gulden en acht vette varkens waren 240 gulden waard. Een record was de verkoop van de beroemdste tulpenbol, de Semper Augustus: deze werd in Haarlem voor 6000 gulden, de prijs van een grachtenhuis, verkocht. Voor een bol van de paars-witte papagaaitulp Viceroi werd een prijs van 3000 gulden overeengekomen. Een anonieme inwoner van Hoorn wees er in zijn pamflet Claere ontdeckingh der dwaesheydt (De dwaasheid aan het licht gebracht, 1636) op dat die bol daarmee evenveel waard was als 2 karrenvrachten tarwe, 4 karrenvrachten rogge, 4 vette ossen, 8 vette varkens, 12 vette schapen, 2 vaten wijn, 4 vaten bier, 2 tonnen boter, 1000 pond kaas, een bed, een zilveren kelk, een aantal kledingstukken plus een schip om dat allemaal te vervoeren.
In het Tulpenboek van P. Cos wordt de prijzen van de verschillende soort tulpen omstreeks 1637 vermeld. Diezelfde viceroy of viseroij werd in een catalogus afgebeeld met de richtprijs van 3000 tot 4200 gulden.
Opkomst
Tot ca. 1634 hielden alleen professionele kwekers en rijke hobbyisten zich bezig met de tulpenhandel. De verkoop van de bollen vond plaats tijdens de bloeiperiode in april en mei, wanneer de kopers de bloemen konden bekijken. In de nazomer, als de bollen gerooid werden, veranderden zij daadwerkelijk van eigenaar. Vanaf 1634 begonnen ook buitenstanders zich met die handel in te laten en ontstond een speculatiegolf die vooral woedde in Haarlem, Hoorn, Amsterdam, Alkmaar en Enkhuizen. Sommige handelaren verkochten tulpenbollen die nog maar pas geplant waren en die niemand nog in bloei had gezien; dit leidde tot contracten voor levering in de toekomst, vergelijkbaar met wat wij tegenwoordig futures zouden noemen. Het verschijnsel werd aangeduid met windhandel en vond meestal plaats in speciale colleges, die bijeenkwamen in kroegen, herbergen en tapperijen. De verkoop geschiedde bij opbod of afslag volgens verschillende regels. De aankoopcontracten, genoteerd op briefjes, werden voor grof geld doorverkocht. De prijs die uiteindelijk voor een bol betaald moest worden, werd doorgaans berekend naar het gewicht bij het rooien. Dit was de ‘azenhandel’; een aas was een onder goudhandelaars gebruikte gewichtsmaat (1 aas = ca. 0,05 gram). Deze handel was illegaal; de Staten van Holland verboden de verkoop van zaken die men zelf niet bezat. Naast de azenhandel in de colleges vonden ook openbare veilingen plaats van ‘pondsgoed’, waardeloze tulpen zonder fraaie kleurpatronen, die per pond verkocht werden aan argeloze kopers, voor extreme geldbedragen.
De speculanten werden veelal floristen of bloemisten genoemd. Zelf noemden zij hun handel ‘de kap’ (etymologie onbekend); wie zich met tulpenhandel bezighield, was ‘in de kap’. De windhandel was vooral in zwang onder kleine zelfstandigen die droomden van snelle rijkdom.

Hoogtepunt
In de winter van 1636 / 1637 hielden in de Republiek ca. 5.000 mensen zich bezig met tulpenhandel; ca. 1% van de beroepsbevolking. In Haarlem lag het percentage floristen veel hoger. Onder hen waren ongetwijfeld vele meelopers, die de handel als een spelletje zagen en vooral kwamen voor de gratis drink- en eetgelagen in de colleges.
In die tijd keerde de publieke opinie zich tegen de tulpenspeculanten. Veel burgers zagen speculatie als een vorm van gokken,en daarmee als een ernstige zonde. Er verscheen een stroom van pamfletten waarin op vaak harde of sarcastische toon werd gewaarschuwd tegen deze handelspraktijken. De schrijvers waren van mening dat de floristen uit geldzucht de godsdienst verwaarloosden. Zij gaven zich over aan de heidense Flora, de bloemengodin uit de Romeinse mythologie. De pestepidemie die Nederland in die tijd trof, werd door velen gezien als een straf van God voor de tulpenhandel.
Ineenstorting
Op dinsdagavond 3 februari 1637 stortte in Haarlem de windhandel abrupt in, toen een verkoper bleef zitten met een partij pondsgoed die hij voor 1400 gulden had aangeboden. Twee dagen later werd in Alkmaar tijdens een veiling van tulpenbollen in totaal nog 90.000 gulden omgezet. De week daarop kelderden overal in Holland en Utrecht de prijzen. Er ontstond een chaotische situatie met veel onenigheid onder handelaren over de geldigheid van de afgesloten contracten. Al snel bleek, dat de meeste floristen tulpen die ze niet bezaten, hadden doorverkocht aan kopers die ze niet konden betalen.
Na de ineenstorting verscheen een nieuwe stroom pamfletten, waarin de aanhangers van Flora op grove wijze bespot werden. Meer serieuze schrijvers probeerden een beeld te krijgen van de oorzaken van de tulpenwindhandel. De bekendste pamfletten uit die tijd zijn de drie samenspraken van Waermondt en Gaergoedt. De laatste (zijn naam betekent: geldwolf) is een ex-tulpenspeculant die spijt heeft van zijn daden en tegenover zijn vriend Waermondt (‘waarheidsspreker’) een boekje opendoet over de floristenwereld. Ook verschenen enkele pamfletten waarin de tulpenhandel verdedigd werd, waaronder Het tooneel van Flora door de Alkmaarder onderwijzer Cornelis van der Woude. Deze waren vermoedelijk geschreven in opdracht van tulpenkwekers die hun goede naam door de speculanten in diskrediet gebracht hadden zien worden.

Nasleep
Op 24 februari kwamen een aantal vooraanstaande tulpenkwekers en –handelaars bijeen in Amsterdam om afspraken te maken over de afwikkeling van de tulpenhandel. Op die bijeenkomst werd bepaald dat kopers hun optiecontracten konden afkopen door de verkoper 10% van de overeengekomen som te betalen. ‘Streep die 1 maar door, dan houd je nog een 0 over’, zo luidde het commentaar van de Amsterdamse hekeldichter Jan Zoet. Inderdaad sorteerde de maatregel weinig effect, daar de berooide speculanten ook die 10% niet konden opbrengen. Bovendien bezat hij geen rechtsgeldigheid; de overheid wilde hem niet ratificeren. Omdat maatregelen van de Staten van Holland uitbleven, bepaalde de magistraat van Haarlem op 1 mei, dat rechters, advocaten en deurwaarders geen tulpenkwesties meer in behandeling mochten nemen. Daarmee werden alle Haarlemse tulpencontracten feitelijk geannuleerd. Later nam Haarlem nog een variant aan op de 10%-regeling, nl. de 3,5%-regeling. Voor vele speculanten had in februari 1637 faillissement gedreigd en daarmee diepe armoede. In werkelijkheid werden de meeste contracten niet nagekomen en hoefden de kopers niets te betalen aan de verkopers, die zelf meestal niet konden voldoen aan hun leveringsplicht. De prijzen van tulpenbollen herstelden in de jaren na de ‘krach’ van 1637 enigszins; de windhandel was echter definitief voorbij.

(bron: wikepedia)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen